U vindt ons ook op
U aangeboden door
Schoonmaken Rv

Zég dat dan!

Ik word zó moe van verhullend taalgebruik. Wat mij betreft geldt: noem het beestje bij zijn naam. U mag mij dus gewoon stukjestikker noemen, als u dat wilt.

We verwijten politici vaak verhullend taalgebruik, maar we doen er bijna allemaal aan mee. We ruilen asielzoeker in voor vluchteling en Turkse Nederlanders voor Nederlanders met een Turkse achtergrond. De aloude vertegenwoordiger stelt zich inmiddels voor als account manager. Een dove noemen we slechthorend. Werklozen zijn plotseling mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. O, en je zieke kat kun je euthaniseren – ja, hállo, alsof die kat om dat spuitje vraagt.

Ooit gaf een lezer mij op m’n kop toen ik in de krant repte van geestelijk gehandicapten. Dat moest zijn: verstandelijk gehandicapten. Zo’n twee decennia later is het woord gehandicapten op zich al besmet. Eerst hoorde je nog te zeggen: mensen met beperkingen. Maar dat is kennelijk óók weer niet aardig genoeg. Het is denigrerend, heet het dan. Daarom spreken de geitenwollensokken onder ons inmiddels van mensen met mogelijkheden.

En dan krijg je dit:

‘Ik werk met mensen met mogelijkheden.’
‘Wat voor mogelijkheden?’
‘Allerlei. Mensen kunnen meer dan je denkt.’
‘Dat is waar. Ja, ik werk ook met mensen met mogelijkheden. Er zijn er een paar bij, die gaan een vliegende carrière maken. Let op mijn woorden.’
‘Dat bedoel ik niet.’
‘Wat bedoel je dan?’
‘Eigenlijk zijn het mensen met beperkingen.’
‘Beperkingen? Maar je had het toch juist over mogelijkheden?’
‘Het zijn gehandicapten.’
‘O. Waarom zeg je dat niet meteen?’

En dan is er nog de poets. De werkster, zo u wilt. Die benaming is not done, tegenwoordig. Aanvankelijk gingen we over op de term interieurverzorgster. En nu spreken we dan, als we het politiek correct willen doen, over de facilitair medewerkster.

Leest u even mee:

‘Ik ben facilitair medewerkster.’
‘Klinkt goed. Wat faciliteer je precies?’
‘Ik faciliteer een prettige werkomgeving.’
‘Leuk zeg! Dus jij mag kantoren inrichten? Kleuren uitzoeken, en meubels en zo?’
‘Ik poets de bureaus.’
‘O. Waarom zeg je dat niet meteen?’

Ik draai er niet omheen: ik vind al die vaagheden van de zotte. Wat mij betreft is het simpel. De bakker bakt, de behanger behangt, de poets poetst. En de stukjestikker tikt stukjes. Bij dezen.

 

 

Dit is een bewerkte versie van een blog dat eerder verscheen op www.jolentaweijers.nl.

Deel dit op sociale media:

    Je kan reageren