U vindt ons ook op
U aangeboden door
Ademhalen

Ademhalen

Jij schrijft zo soepel, hoor ik vaak. En dan: hoe doe je dat toch?

Mijn antwoord is simpel: ik haal adem.

Ja dûh, denkt u nu.

Maar het is waar. Ik haal adem. Ook op papier. En voordat u nu voorbarige conclusies gaat trekken: nee, ik ben geen linksdraaiend yoga-type. Hoewel… nu ik erover nadenk, hoor ik ook vaak dat mijn schrijfstijl zo herkenbaar is. Dus misschien stop ik ongemerkt toch wel stukjes van mezelf in mijn zinnen.

Maar goed, dat ademhalen. Dat is zo simpel als het klinkt. Ook op papier.

Om te beginnen houd ik me altijd aan één van de eerste lessen van mijn journalistieke opleiding: schrijf zoals je praat. Dat is lastiger dan het lijkt, want je bent er niet als je woorden achterwege laat waarover de lezer kan struikelen. Een tekst vol eenvoudige woorden kan benauwend onleesbaar zijn.

Wat nog meer? Luister eens naar de mensen om je heen. Die praten niet in zinnen die hen tussendoor naar lucht doen happen. O, er glipt er wel eens eentje tussendoor. Maar afgezien van oud-premier Ruud Lubbers blinkt niemand uit in glijpartijen tussen bijzin en tangconstructie. Wie praat, marcheert meestal rechtstreeks van hoofdletter naar punt.

Schrijven zoals je praat betekent trouwens ook dat er logica zit in wat je neerpent. Zeg nou zelf, je komt toch ook niet thuis met het verhaal dat collega X vanmiddag om drie uur op de fiets stapte? Ben je mal. Collega X is op staande voet ontslagen. Dát is je verhaal. Al het andere komt daarna.

En dan zijn er nog de leestekens. Ik houd van ze, om toch maar even wat linksdraaiend te doen. Leestekens zijn adempauzes. Gebruik je ze goed, dan wandelt de lezer fluitend door je tekst. Niks geen gestruikel, niks geen ademhapperij. O ja, en vergeet alsjeblieft dat verbod van de lagere school dat er geen komma mag voor ‘en’. Als een zin vraagt om een adempauze, zet je gewoon een komma neer. Punt uit.

 

Deel dit op sociale media:
    1. Toon van der Ven
      Toon van der Ven22 maart 2016

      Hm, ik blijf zitten met wat vragen. Daar is niks mis mee, maar in ’n gepubliceerde tekst zoek ik ook naar sturing en die is mij niet helemaal duidelijk. Ik omarm de metafoor ademhalen onmiddellijk: krachtig en sprekend. Maar uit deze van-hoofdletter-naar-punt-missie put ik ook enige onrust. Ik probeer mijn studenten op te voeden in ‘tekstritme’: wees niet bang voor ’n langere zin maar geef me af en toe ’n rustpunt (kort uithijgzinnetje of -woordje).

      Ik geef ze de onvolprezen signaalwoordenpagina van taalwinkel.nl cadeau om ze te helpen wat langere zinnen te durven schrijven: dat is ze namelijk afgeleerd op school. ‘Schrijf maar korte zinnen, dan maak je geen fouten’. Geen fouten maken als doel van onze schriftelijke expressie benauwt me.

      Laatst heb ik toevallig vastgesteld dat vertalingen van Erasmus’ Lof steeds meer zinnen, maar niet meer woorden bevatten: ai. En tegelijk heeft mijn goede kennis Professor Huub van den Bergh al eens vastgesteld dat Europees niveau B1 weliswaar eenvoudiger is dan B2 maar niet beter te begrijpen; zeker niet voor moedertaalsprekers (-lezers).

      Kortom: leve begrijpelijke taal maar hoed u voor sjabloondenken.

    2. Jolenta Weijers
      Jolenta Weijers23 maart 2016

      Dank voor je reactie, Toon. Je hebt helemaal gelijk: tekstritme is belangrijk. Afwisselend langere en kortere zinnen schrijven is een probaat middel om een tekst te verlevendigen. Maar ‘lang’ moet niet uit de klauwen lopen en uitmonden in een slechte kopie van het Lubberiaans. In mijn journalistieke opleiding gold het adagium dat zinnen gemiddeld 15 woorden bevatten – let op het woord ‘gemiddeld’.
      Ik ben dus niet per se tegen lange zinnen. Ik ben voor zinnen die je gemakkelijk leest doordat ze geen struikelpartijen veroorzaken. Met wat hulp van de onvolprezen leestekens is dat niet eens zo moeilijk.
      Ik ben het ook eens met je oproep tegen sjabloondenken. Met name de rigide indeling in taalniveaus is mij een doorn in het oog. Daarop doel ik hierboven dan ook als ik schrijf dat een tekst vol eenvoudige woorden benauwend onleesbaar kan zijn.
      Misschien gaat het in de basis hierom: mensen handvatten geven voor een soepele tekst. Wanneer ze daarmee uit de voeten kunnen, ontwikkelen ze hopelijk een wat vrijere schrijfhand, die hun teksten laat ademen in hun eigen ritme. Oftewel: in hun eigen stijl.

    Je kan reageren